Op 28 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag zich uitgelaten over de vraag of de intrekking van de kennismigrantenvergunning door de IND een dringende reden kan vormen voor een ontslag op staande voet gegeven door werkgever, in deze zaak een uitzendbureau.
Wat was er aan de hand?
De werknemer in deze zaak kwam vanuit Turkije naar Nederland om via een uitzendbureau als chef-kok werkzaam te zijn op basis van een kennismigrantenvergunning. Voor deze regeling gelden strikte voorwaarden, waaronder een minimale salarisnorm. In onze eerdere blog over de bijzondere positie van de kennismigrant bespraken we deze voorwaarden uitgebreider.
Hoewel het uitzendbureau bij de (verlengings)aanvraag van de verblijfsvergunning had opgegeven dat de werknemer als chef-kok zou werken tegen een salaris dat voldeed aan de salarisnorm, bleek de praktijk anders te zijn. De werknemer werkte vooral in de bediening, verrichtte schoonmaakwerkzaamheden en deed allerlei andere klusjes in het restaurant. Ook ontving hij structureel een veel lager salaris dan was afgesproken en dan wat hij als kennismigrant had moeten ontvangen.
De IND ontdekte via Suwinet, een beveiligd netwerk van de overheid dat door overheidsinstanties wordt gebruikt om inkomensgegevens van burgers uit te wisselen, dat niet aan de salarisnorm werd voldaan en kondigde de werknemer aan de verblijfsvergunning in te trekken. De werknemer informeerde het uitzendbureau hiervan en kort daarna ontsloeg het uitzendbureau de werknemer op staande voet. Het uitzendbureau was namelijk van mening dat van haar niet kon worden verwacht om het dienstverband voort te zetten. Dat zou volgens het uitzendbureau namelijk in strijd zijn met de Wet arbeid vreemdelingen waarin is bepaald dat een werknemer zonder geldige verblijfsvergunning niet mag werken.
De werknemer vocht het ontslag aan bij de rechtbank. Hij stelde dat de problemen met de verblijfsvergunning juist waren veroorzaakt door het uitzendbureau zelf, omdat het uitzendbureau had nagelaten het juiste salaris te betalen en hem bovendien ander werk liet verrichten dan waarvoor de vergunning was verleend.
Wat oordeelde de rechtbank Den Haag?
De Rechtbank Den Haag gaf de werknemer gelijk. Volgens de rechtbank stond vast dat het uitzendbureau zelf verantwoordelijk was voor het niet naleven van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling. Het uitzendbureau had immers een lager salaris betaald dan het bedrag dat bij de IND – nota bene door het uitzendbureau zelf – was opgegeven.
De rechtbank oordeelde dan ook dat de oorzaak van de intrekking bij de werkgever lag en niet bij de werknemer. Van een dringende reden voor een ontslag op staande voet was in deze zaak geen sprake.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het uitzendbureau verplicht bleef het overeengekomen salaris te betalen, ook nadat het restaurant was gesloten en de werknemer andere werkzaamheden was gaan verrichten. Het feit dat de werknemer lager gekwalificeerd werk deed, betekende niet dat de werkgever zomaar een lager loon mocht betalen.
Het ontslag op staande voet werd dus vernietigd. Ook moest het uitzendbureau het achterstallige salaris op grond van de salarisnorm, de wettelijke verhogingen en rente betalen aan de werknemer. Verder werd het uitzendbureau verplicht om correcte loonstroken te verstrekken en de juiste loonheffingen alsnog af te dragen aan onder meer de Belastingdienst, UWV en IND.
Wat kunnen werkgevers hiervan leren?
Werkgevers doen er verstandig aan regelmatig te controleren of kennismigranten binnen hun organisatie blijven voldoen aan de voorwaarden van hun verblijfsvergunning. Een belangrijke voorwaarde is dat het salaris moet voldoen aan de geldende salarisnorm voor kennismigranten. Wanneer daarvan wordt afgeweken, kan de IND besluiten de verblijfsvergunning in te trekken. Als die intrekking het gevolg is van handelen of nalaten van de werkgever – zoals in deze zaak het niet correct betalen van salaris – kan de werkgever zich vervolgens niet op die intrekking beroepen als grond voor ontslag.
Vragen?
Neem dan contact op met onze specialist Çiğdem Özcan, Advocaat Arbeidsrecht en Arbeidsmigratierecht.




